Musea vs. Hete hangijzers

Het Brusselse kunstencentrum, Wiels, is tot nog toe niet erkend als museum, maar in de volksmond luidt vaak Het Wiels-museum. Vanuit die gedachte vroeg het kunstencentrum zich af welke positie het zou innemen als het wel door de overheid gesubsidieerd zou zijn. Met de tentoonstelling Het Afwezige Museum poneerde het de vraag: moeten gesubsidieerde kunstinstellingen een standpunt innemen in actuele kwesties of kunnen ze maar beter neutraal blijven?

Over migratie en kolonialisme

Vaak komen kunstenaars die expliciet kritiek leveren op de wereld rondom hen moeilijk los van het alternatieve circuit. In een wereld waarin iedereen een menig heeft, blijven veel musea opvallend afwezig in gevoelige debatten. Erkende instellingen zijn in Vlaanderen gesubsidieerd door de overheid. Om je geldschieters tegen de schenen te durven schoppen moet je behoorlijk wat lef hebben.

Met Uit de collectie/Verlust der Mitte poogde het SMAK een statement te maken over onder andere het ongebreidelde kapitalisme, koloniale verleden en migratiebeleid. Een deel van de tentoonstelling bestond uit een selectie van stukken uit de collectie, die zijn aangekocht tijdens de ontstaansperiode van het museum. Tussen de parels uit de 20ste-eeuwse kunstgeschiedenis lagen de vloeren bezaaid met matrassen die beslapen leken en spullen die geen eigenaar meer leken te hebben. Het SMAK leek tijdelijk dienst te doen als opvangcentrum voor nieuwkomers. En dat deed het ook!  De kunsttempel bood 12 erkende vluchtelingen tijdelijk onderdak. Zij hielpen met de opbouw en het toezicht en gaven rondleidingen en muziek- en taallessen. In het andere deel van de tentoonstelling kwamen bezoekers terecht in een mengeling van een straat in de Congolese hoofdstad Kinshasa anno 2017 en een 20ste-eeuws wereldexpo-dorp vol verwijzingen naar de problematische Belgische koloniale geschiedenis. De tentoonstelling bouwde bruggen tussen heden en verleden, tussen de ontstaansgeschiedenis van musea, de Belgische koloniale geschiedenis en de huidige migratiestromen. Meer dan genoeg voer tot nadenken zou je denken?

 

Maar dit alles moet je online lezen op websites van kranten, tijdschriften en kunstblogs. Op de website van het SMAK en in het SMAK zelf was er zo goed als geen omkadering te vinden. Daardoor was de schok des te groter bij het binnenwandelen. Een wandeling tussen de hutten, toonbanken, matrassen en achtergelaten spullen was op zijn minst verwarrend. Voor een leek in koloniale problematieken en actuele debatten ging de hele betekenis echter verloren door het gebrek aan duiding. Door zo goed als geen denkpistes aan te reiken bleef het geheel voor de onwetende bezoeker niet meer dan een bevreemdende ervaring. Wat een rake klap tegen het migratiebeleid en het economisch systeem had kunnen zijn, voelde door het gebrek aan context voor een aantal critici als gemiste schop tegen de schenen van het systeem. Voor sommige jonge kunstliefhebbers voelde het hele gebeuren eerder als een laffe commerciële stunt dan een statement.

Jonge bezoekers en kritische kunstenaars

In een samenleving waarin sociale media hoogtij vieren, heeft zowel jong als oud een mening. Online reageren jongeren massaal op wat er gebeurt in de wereld om hen heen en op wat er leeft in het publieke debat. Niet elke uitspatting is even doordacht, maar de ontelbare boze Tweets en verontwaardigde reacties tonen dat ze durven ingaan tegen wat er zich afspeelt boven aan de top. Jongeren laten hun stem horen en vinden het hoogtijd dat er op hoger niveau ook statements worden gemaakt.

De tijd waarin culturele instellingen een eiland vormden zonder enige verbinding met de werkelijkheid is voorbij. Het is duidelijk dat er iets borrelt in het Vlaamse museumlandschap. In veel kleinere exporuimtes is kunst al van haar sokkel gehaald. Musea voelen dat een groot deel van hun jonge bezoekers zich vragen stelt. Een alsmaar stijgend aantal onder hen gelooft in de maakbaarheid van de samenleving. Voor hen is het tijd dat de gesubsidieerde instellingen uit hun ivoren toren neerdalen en standpunten durven innemen.

Het Wiels speelt in op dat gevoel. Het kunstencentrum staat erom bekend geen blad voor de mond te nemen. Al sinds het ontstaan in 2007 biedt het kunstencentrum ruimte aan kunstenaars die niet terugdeinzen om het publiek uit te dagen met straffe statements. De tentoonstelling, Het Afwezige museum, sluit perfect aan bij deze traditie. Door werken van verschillende kunstenaars op een weldoordachte manier samen te brengen speculeert het Wiels over welke vragen musea zouden moeten stellen en welke verhalen ze zouden moeten vertellen. Op die manier zet het bezoekers aan tot nadenken over actuele kwesties en pijnlijke episodes uit het verleden, zonder hen in een bepaalde richting te duwen. Van oudsher kan het Wiels rekenen op een horde trouwe jonge bezoekers, dus het is duidelijk dat de jonge garde klaar is voor instellingen die hun stem durven verheffen in het publieke debat.

 

 

Maar moet iedere kunstinstelling zichzelf dan plots volledig heruitvinden? Zichzelf in vraag stellen is zelden een slecht idee, maar de eigen identiteit volledig overboord gooien zal in de meeste gevallen de zaak er niet echt op vooruit helpen. Misschien is het spreekwoord “schoenmaker blijf bij je leest” een gepast startpunt om een antwoord te formuleren op heel deze kwestie. Niemand zal ontkennen dat elke galerij en elk museum een eigen kijk op kunst moet promoten. Ook de jonge garde staat niet te wachten op een volledige ommezwaai in de culturele sector. Het is eerder een kwestie van horizonten verbreden en bruggen bouwen. Zo zal de kloof tussen autonome kunstruimtes en gesubsidieerde instellingen misschien stap voor stap verkleinen. Of ze ooit volledig gedicht moet worden, is iets dat ieder voor zich moet uitmaken. Misschien is het maar beter dat er alternatieve ruimtes blijven bestaan waar er ruimte is voor foute beslissingen en ongebreidelde experimenten? Maar anderzijds kan een beetje anti-establishment over heel de lijn nooit kwaad, toch?

 

— Eerder gepubliceerd op Museumtoeren en Graffiti vzw