Atelier series: Dokters, mantra’s en institutionele kritiek met Frank (& Robbert)

Tijdens de fietstocht naar het atelier van Frank & Robbert, neem ik mijn voorbereide vragen door. Ik wil vragen stellen over hun huidige praktijk, het atelier en wat de rol is van de kunstenaar in de maatschappij. Maar wanneer je met Frank babbelt loopt eigenlijk alles een beetje anders. Te beginnen met de borrel die met de koffie wordt geserveerd. “Dat mag enkel voor 12 uur ’s-middags.”

Frank & Robbert, Robbert & Frank is een kunstenaarsduo die met projecten zoals “Don’t we deserve grand human projects that give meaning” en “Go away sorrow of the world”, eenzelfde thematiek behandelen. Ze tonen abstracte of onderbelichte, soms politieke processen op een makkelijk hapklare en kinderlijke manier. Een praktijk dat als naïef kan worden bestempeld en die ze in zekere zin zelf ook omarmen.

Ik spreek met Frank (helaas zonder Robbert) over kunst, de problematiek van het huidige subsidiestelsel, belangenverstrengeling, kunst in de openbare ruimte en de misvattingen van het kunstenaarschap. En natuurlijk over hun werk. Dat moet je trouwens zelf gaan zien, 30 november en 1 december in CAMPO.

Adriennevanderwerf_November2017_Beeld1

Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?

Op de middelbare school hebben we een atelier in de school gekregen waar we keizotte dingen mochten bouwen. Nadat we klaar waren met het middelbaar zijn we elkaar weer tegengekomen aan het KASK. We waren de twee jonkies van de opleiding dus tijdens springuren waren we altijd aan het werk. We zijn toen rare filmpjes beginnen maken die al snel werden opgepikt. Alles lijkt te zijn ontstaan door een sneeuwbaleffect: elk project leidde weer tot iets nieuws.

Uit dit verhaal lijken jullie kunstprojecten een soort toevalstreffers die in gang worden gezet door de mensen die jullie ontmoeten. Heb je daar nog een goed voorbeeld van?

We zijn ooit een keer via Hong Kong in Qatar beland. In Hong Kong deelden we situaties over de man die ons een kamer huurde: een gewapende pooier die ’s-avonds op straat stond om er de boel in de gaten te houden. We deelden onze ervaringen en maakten tussendoor ook een grapje over Qatar Airways. Via Twitter kregen we van hen een reactie. “If you fly with Qatar Airways, you can have a free stay over.” Ze hadden geen idee dat we een grapje maakten, maar we gingen erop in. Eenmaal daar hadden we door dat er niks te beleven was. Veel gebieden waren verboden om naartoe te rijden. Toch hadden we iets interessants ontdekt. Blijkbaar is er een gebied van 12 km lang en 2 km breed die de Amerikanen hadden geclaimd tijdens de Golfoorlog via een resolutie van de VN. Het is na het conflict nooit teruggeven. Het is van niemand. Niet van Qatar, niet van Saoedi-Arabië. Het gebied, wat vol staat met tentenkampen, is eigenlijk een soort piratebay geworden waar er basically wordt gehandeld in mensen en wapens. Wij gingen, een beetje naïef, met een apenpak uit China en een militair pak van een Chinese generaal naar dat gebied en we verkleedden Robbert als aap-generaal. We vonden een dode kameel en deden een hermontage van 2001: A Space Odyssey toen er een witte jeep aan kwam rijden. De man knoopte een gesprek met ons aan en haalde een revolver uit zijn zak. “Jullie mogen blij zijn dat jullie jonge blonde gasten zijn, want als jullie een Pakistani of Indiër waren, dan had ik jullie hier nu afgeknald.” Dat hebben we dus allemaal gefilmd.

Welke motivatie hebben jullie, geloven jullie, in het constant ‘ja’ zeggen tegen deze bizarre situaties?

Door steeds ‘ja’ te zeggen ontvouwt er zich een netwerk die ervoor ongezien is. We proberen open te staan voor alle situaties, ook al klopt het niet op het eerste gezicht. Je leert daar namelijk twee dingen van, dat één: de wereld heel klein is, en twee: dat er meerdere lagen van bewustzijn en realiteit zijn. Door op een plek continu ‘ja’ te zeggen, krijg je die gelaagdheden te zien en brengen we die lagen met elkaar in contact.

Maar door continu ‘ja’ te zeggen, kunnen jullie werken ook worden gebruikt om een ander idee over te brengen. Hoe gaan jullie daar mee om?

Ja, dat is lastig en we proberen daarin nog steeds een balans te vinden.

Heb je daar een voorbeeld van?

Een tijd geleden werden we uitgenodigd door een buitenlandse gallerij om een boekpresentatie te verzorgen. We maakten een tweetal jaar geleden namelijk een boek over houten vuurwapens. Gek genoeg kregen we voor deze buitenlandse presentatie geen reis- of andere subsidie, ondanks de prestige die ermee gepaard ging. Maar, los van de subsidie werd het event wél bijna gekaapt door een bierproducent voor een potentiële bier-deal met de gallerij en een gelinkt museum… Het had, kijkend naar de inhoud van ons boek, evengoed een wapendeal kunnen zijn. Nu, het punt is: kunst is vaak een katalysator die dingen bevraagt of verbind, maar hiervoor krijgt het weinig credits of return terug. Een boekpresentatie is niet bijzonder spannend, maar het was wél een potentiële ‘dealmaker’. Kunst heeft wél nut, in tegenstelling van wat vaak beweerd wordt. Het enige nadeel is dat voor beleidsmensen dit nut vaak economisch moet zijn. In het verlengde hiervan lijkt de hele artistieke sector wel in crisis, want de hele sector verdient geld op de rug van de kunstenaar. Een galerie gebruikt de kunstenaar voor verkoop, maar ook grote culturele organisaties en musea ‘shoppen’ artiesten voor fijne groepsexpo’s (waar de artiesten vaak niet eens voor betaald worden). Er is, met andere woorden, weinig financiële return voor de kunstenaar. Het vreemde is dat iedereen binnen die organisaties wél een vast loon heeft: de communicatiemedewerker, de curator… Het komt er op neer dat er voor de kunstenaar geen échte som meer overschiet. “Meedoen aan een expo is goed voor je carrière, maar een echt loon, dat gaat niet”, wordt er altijd gezegd. Als kunstenaar moet je, naast creatief in het atelier, ook creatief zijn in zelfbeschikking én organisatie.

 

Adriennevanderwerf_November2017_Beeld2

Je hebt het over de kostelijke infrastructuur van de culturele sector. Hoe denk je dat dat kan veranderen?

Daar kan ik geen eenduidig antwoord op geven, maar er zijn een aantal grote problemen. Het eerste probleem is dat mensen het verschil tussen erfgoed, ambacht en kunst vervagen. Subsidies gooien precies alle kunsten op dezelfde hoop. Neem nu bijvoorbeeld Jan de Corte. Vroeger was hij een jonge goede maker. Hij heeft werken gemaakt die het kunstenlandschap hebben veranderd. Het is goed dat hij er vroeger in is gesteund, maar zijn positie wordt nu niet meer geëvalueerd. In een subsidieronde krijgt hij 1/9 van het totale budget. Hetzelfde geldt voor Jan Fabre. Subsidies gaan naar reenactments van zijn performances van dertig jaar geleden en worden gelabeld als ‘contemporary art.’ Maar dat is het niet. Het is eerder erfgoed. Ik vind dat er daarin een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt: tussen een actief kunstenlandschap en het behoud van het vroegere kunstenlandschap.

Wat zou er, naast een helder onderscheid tussen erfgoed en kunst, nog aan subsidies verbeterd kunnen?

Kijk, dat er veel geld gaat naar infrastructuur vind ik niet erg, maar ik wil dat er helderheid komt over wie centen krijgt en wie niet. De kunstencentrum en musea gebruiken de meeste centen om hun eigen werking en lonen te kunnen betalen. Dat is de essentie. Een logistiek medewerker van een muziektempel heeft bijvoorbeeld veel minder financiële zorgen dan de jonge muzikant die er op het podium staat. En dat komt omdat kunstenaars geen onderdeel zijn van de infrastructuur. Als maker krijg je misschien (eventjes) subsidies (die veelal zodanig laag liggen dat je ermee niet eens lonen kan uitbetalen), maar die subsidies zijn tijdelijk en eindig. Dus: als kunstenaar is bijklussen vaak de boodschap (al dan niet in combinatie met tijdelijke werkeloosheid). 

Adriennevanderwerf_November2017_Beeld3

Doen jullie ook specifiek iets in jullie praktijk om dit mechanisme aan te kaarten?

In zekere zin wel. We adviseren soms in beleidsgroepen of we verspreiden onze ideeën en ervaringen via lezingen en workshops. In zekere zin ‘ondermijnen’ we zelfs soms traditionele plekken van presentatie door bijvoorbeeld kunstwerken te ontwerpen die zich vermommen als iets anders dan een kunstwerk; zo ontwikkelden we een tijdje terug body-builder-producten (als kunstwerk) en presenteerden die dan buiten de white-cube. Dat was zalig verwarrend voor de body-builder (die plots cultuurbelever werd zonder dat hij het wist), maar ook voor de curator of voor de reguliere museumbezoeker. Nog een beter voorbeeld: Twee jaar geleden zijn we begonnen met een serie kunstwerken te maken die in een koffertje pasten omdat we draagbare werken wilde maken die mee konden als handbagage in het vliegtuig. In totaal hebben we er vijftig ontworpen en vijf effectief gebouwd. “Go away sorrow of the world” was de meest succesvolle. Dit koffertje klappen we zomaar open op straat. Het installeren zelf is de performance en de boodschap is steevast vertaald in de lokale taal. Deze eenvoudige actie roept super uiteenlopende reacties op: mensen vinden het soms poëtisch of dan weer bedreigend of verontrustend. Soms bellen ze zelfs de politie! De openbare ruimte is en blijft een onontgonnen terrein. Door je werk daar te presenteren kunnen mensen niet plaatsen waarmee je bezig bent. Mensen snappen dus niet automatisch de artistieke context. Ze gaan zelf verbanden leggen. Heerlijk! Want dan denken ze plots dat wat wij doen iets sacraal, religieus of politieks is. En zo ontstaat er een dialoog of toch ten minste een gedachte! Zelfs al komt die voort uit argwaan. In China dachten mensen bijvoorbeeld dat we van een sekte waren. De boodschap van het koffertje hangt altijd af van de plek zelf én het eigen referentiekader van de toeschouwer.

 

Dus de boodschap is niet zo altruïstisch als dat ik hem opvat?

Toch wel. Het is behoorlijk altruïstisch. Eigenlijk zien we de boodschap als een Tibetaans mantra. Als een monnik een pecha ronddraait met de boodschap daarin verwerkt, helpt het hem om in een staat van zen te komen. Het gebed wordt continu herhaald in een roep waardoor het universum wordt gestuurd. Op den duur keert die vibratie terug. Onze performance wordt een wandelend canvas en ons project wordt een subliminale boodschap. Het is super naïef maar mensen pikken het bewust of onbewust op. We blijven het daarom ook doen en het wordt zo een never-ending project.

Op de biënnale in Venetië hebben jullie het koffertje niet gebruikt. Had je daar een reden voor?

We hebben daar wel met het koffertje gestaan maar tijdens die ingreep kwamen we erachter dat het in de context van de biënnale niet klopte. Heel de stad was eigenlijk een openlucht tentoonstellingsruimte. Toen hebben we besloten om het brak hout van vorige biennales te gebruiken in combinatie met gevonden wrakhout (volgens sommige ‘locals’ hout afkomstig van gecrashte of vergane vluchtelingenbootjes). Dat viel overigens niet in goede aarde bij de organisatie, maar we streven er altijd naar om het koffertje mee te doen op plekken waar het wringt.

AdriennevanderWerf_November2017_Beeld4

Wat is voor jou de rol als kunstenaar in de maatschappij?

Tijdens de Chinese lessen die ik volg kom ik in aanraking met allerlei woorden die opgebouwd zijn uit andere betekenissen. Het woord voor dokter lijkt zich in zekere zin te verhouden tot ons kunstenaarschap. Zoals yīchēng of ‘dokter’ en dat schrijf je in vereenvoudigd mandarijn chinees als volgt: 医生. Het bestaat, zoals je kunt zien, uit 2 karakters: 医 en 生. Het eerste karakter is yī en dit wil eigenlijk zeggen ‘schuilplaats’, terwijl 生 het karakter voor pijl is. In feite ben je dus geraakt door een pijl, en moet je vervolgens gaan schuilen in de grot, en dan komt de dokter om je te genezen. Als je verder borduurt op 医 kun je ook nog de link maken met water (en gedestilleerde drank = alcohol), wat dan weer leidt naar de link tussen geneeskunde en alcohol (wat historisch gezien hetzelfde was in China, maar nu taalkundig uit elkaar is gegroeid). Een kunstenaar is eigenlijk een dokter die mensen helpt die geraakt zijn door de pijlen van het dagelijks leven en ze behandelt in een grot met artistieke alcohol.

Adriennevanderwerf_November2017_Beeld5