Kortverhaal: Achronvlinder

Wanneer het die tijd van het jaar is, dan steek ik mijn hoofd net iets verder onder het laken. Het is een legende, vertelde mijn moeder vroeger geruststellend. Een mythe ontstaan in vroegere tijden waarin god alleenheerser was. Toch heb ik ze gezien. De krankzinnigen. Ze blijven op hun kop slaan, net of ze uit het zwembad komen en proberen hun oren te ontdoen van klotsend water. Het is wat binnen beweegt dat ze eruit proberen te krijgen. Tot bloedens toe. Een zwart gestalte niet groter dan eenmillimetereneenhalf breed fladdert doorheen de hersenen van de krankzinnigen. Fladdert, ja. Krullen uw lippen nu een kwartslag naar boven dan kan ik u begrijpen. Maar er is werkelijk niets grappigs aan de Achronvlinder.

Vorige winter had de larve van de vlinder mijn oom beet. Zo een beet kan enkel plaatsvinden als er bij de gastheer sprake is van een pure en subjectieve angst. Bij mijn oom was dit de angst voor een grote verzameling aan mensen op een plaats. Niet geheel ondenkbaar, er zijn er zoveel met mensenvrees. En normaal gezien vormde zijn angst ook weinig problemen. Het was namelijk zo dat wij ons huis hadden in de boerenbuiten. Meer schapen dan mensen, en daar was mijn oom gerust mee. Maar tijdens de kerststoet, nu precies een jaar geleden, ging het mis. Normaal gezien zou mijn oom op dat soort dagen thuis vertoeven. Het hele dorp plus alle omringende dorpen op hetzelfde moment op dezelfde plaats. Geen haar op z’n hoofd dacht eraan om daartussen te gaan staan. Maar het lot wil zo lopen dat hij juist die dag er niet aan had gedacht op de kalender te kijken. Met zijn gedachten in andere verhalen liep hij de deur uit en sloeg aan het einde van de straat rechts, precies waar het feestgedruis plaatsvond. Voor hij helemaal door had wat er aan de hand was stond hij vast tussen honderden mensen. Al snel begonnen de zweetdruppels zich op zijn voorhoofd te vormen en bundelden zich tot kleine straaltjes zweetangst die via z’n nek en zijn rug tot aan de bovenkant van zijn onderbroek liepen. En op dat moment, zonder dat een ziel dat zag, kroop de Achronrups langs de enkels van mijn oom naar boven, waar hij zich aan het zachte vlees van zijn dijbeen vastbeet.

Op de plek waar de rups mijn oom in het been gebeten had vormde zich een puist. In het begin klein, maar al snel begon deze in grootte toe te nemen. Bovendien begon deze akelig te etteren. Deze puist was zo hard als diamant en zelfs de scherpste messen konden er niet doorheen snijden. Geen zalf was bijtend genoeg. En onder de kloppende puist had de rups zich een onderkomen gevonden. Hier werd de rups een pop, waarin de vlinder zich aan het ontwikkelen was. Het is in dit stadium dat er ingegrepen moet worden. Met beitels en hamers ging mijn tante aan de weer op het been van mijn oom. Maar niks leek te werken. Het ging zelfs zo ver dat mijn tante ten einde raad de roestige zaag uit de schuur tevoorschijn haalde. Terwijl ze de zaag net boven de puist op het been van mijn oom zette en de eerst haal met de zaag nam, begon de pop onder de puist te sidderen. Mijn oom schreeuwde het uit van de pijn en je zag de pure doodsangst in zijn ogen. Op het moment dat mijn tante op de helft van het bot zat, was het te laat. De rups had zich ontpopt tot een volwassen vlinder.

Van binnenuit vond de vlinder een weg naar het verstand van mijn oom. Binnen de hersenpan vloog deze rond. En het was hier waar stille waanzin uitbloeide. Het begon klein, maar de krankzinnigheid werd al snel groter. Eerst keek hij mij niet meer direct aan, alsof mijn huid doorzichtig was geworden. Erna begonnen verhalen over tweekoppige leeuwen, vanuit natte aarde onttrokken. Schreeuwde dat hij aan het verdrinken was. De bloedzuigers zich aan hem vast hadden gezet, hem naar beneden trokken. Dat zijn lichaam zich in alle bochten wringend, zijn botten brak. Klampte zich vast aan de muur, terwijl hij de kamer rond hinkelde op zijn linkerbeen. Het was de rechter die er enkele weken daarvoor door mijn tante af was gezaagd.

Volgens mij voedde de vlinder zich op de krankzinnigheid van mijn oom. Gebruikte deze om eitjes te leggen die via dikke, rollende tranen van wanhoop de ogen van mijn oom verlaten. We zijn een jaar verder en ik sta met mijn ouders voor de ingang van de psychiatrische instelling. Dit jaar slaan we de feestelijke stoet over. De hand van mijn moeder rilt, ze heeft het nooit gehad voor ziekenhuizen. Maar als we voor het raam staan en mijn oom daar zien zitten, vastgebonden en met een schuimende bek, begint ze ineens hard te schokken. Blinde angst overvalt haar. Hoe hard we haar ook proberen te sussen, ze valt niet te kalmeren. Toen zag ik het. Door het worstelen was haar trui wat omhooggeschoven en een klein stukje huid op haar heup was hierdoor zichtbaar geworden. Net voordat ik met mijn hand de rups van haar heup weg wou slaan was het te laat. Ik zag nog net z’n achterwerkje zich in haar huid wrikken. Even later ontstond daar een klein rood puisje.

Mijn moeder, mijn oom en ik zitten samen aan de veranda naar buiten te kijken. Ik zie iets bewegen, een piepklein zwart gestalte kruipt langzaam voorbij. In mijn hoofd zwaai ik ernaar en er vormt zich een glimlach op mijn gezicht.

 

Suzanne bezocht deze maand het Museum Dr. Guislain. Ze keek daar naar de werken uit de nieuwe tentoonstelling Angst (11/11 – 27/05) , en liet zich erdoor inspireren. Uit dit bezoek groeide dit kortverhaal.

Illustratie door Josefien Cornette
http://josefienc.tumblr.com/