Apesh*t: zwart vel in de kunstwereld

Het internet ontploft. Alweer. Vaak stoor ik me er aan, wanneer het gaat om de zoveelste parodie of celebrity-klucht waar ik geen affectie mee heb. Maar die ene dag juichte ik mee. Childish Gambino lanceerde zijn videoclip ‘This is America!’ en het volledige internet waant zich in een real life Da Vinci Code. Als Illuminati-experts gaan ze op zoek naar de achterliggende boodschap. Het zijn de kruiswoordraadsels van onze tijd.

Even alles kort samengevat. We zien een zwarte man gekleed in een broek die vaak gelinkt wordt aan de geconfedereerde staten van Amerika. Zowel de poses als choreografie die hij uitvoert, zijn gelinkt aan Jim Crow en ander racistisch erfgoed. De videoclip is opgenomen in een hangar waar extreem geweld plaatsvindt in de achtergrond, maar op de voorgrond zie je dansers die je horen af te leiden. Wapens worden met meer zorg weggedragen dan de doden die ze maken. Er is een duidelijke referentie naar de mass shooting in Charleston Church, die racistisch geïnspireerd was. Je ziet het: het is een videoclip die je beter meerdere malen na elkaar bekijkt. Los van het feit dat het nummer zelf dagen in je hoofd zal zitten.

Aunt Jemima en Uncle Ben
Ook de beeldende kunsten hebben al meermaals hun zaakje gezegd over de beeldvorming van zwarten in Amerika. Er is een typetje van een zwarte Amerikaanse slaaf in 1828 neergezet in het nogal wansmakelijke Jump Jim Crow van Thomas Rice, een blanke comedian. De term Jim Crow komt van een samenvoegsel van jimmy, een koevoet en crow, een kraai. De kraai werd al sinds de 17e eeuw gebruikt om zwarten te benoemen. Beide termen slaan terug op hoe Amerikaanse boeren in whiskey gedrenkte maïs aan de kraaien voerden om zo de dronken kraaien dood op hun land te slaan. Je begrijpt meteen waarom men het geen prettige benaming vond. Het typetje groeide al snel uit to een synoniem voor alle Afro-Amerikanen en werd zo een negatief stereotype. Het vormde tevens een symbool voor het complexe systeem van rassenwetten in de Verenigde Staten van Amerika. Ze kregen dan ook op hun beurt de naam ‘de Jim Crow-wetten’ en duidden op de rassensegregatie in het Zuiden van de VS tussen 1876 en 1965.

Men carry the coffin of Jim Crow through the streets to protest racial discrimination in 1944.  PHOTOGRAPH BY CORBIS.jpg
© Men carry the coffin of Jim Crow through the streets to protest racial discrimination in 1944. Corbis

Jim Crow is helaas niet het enige typetje. Ook andere zoals Aunt Jemima en de ons allen bekende Uncle Ben staan in het collectieve geheugen gegrift. Een zwarte dikke tante die taarten bakt en een ober die rijst onze kookt. Ze wijzen allebei op een oud idee dat de zwarte bevolking vooral hoorde ingezet te worden als keukenhulp en huismeid. Ze zetten een verschrikkelijke beeldvorming neer van een zwarte bevolking waar dringend eens komaf mee gemaakt zou worden. Een stereotype dat vooral bepaald wordt door hoe de blanke bevolking (ook nog ten tijde van apartheid) kijkt naar de ‘anderen’. Met ‘anderen’ bedoelt men dan alles dat niet blank (genoeg) is. Het zijn tijden waarin blanke acteurs zich zwart hebben geverfd om zo met spastische, stereotype dansjes de zwarte bevolking van Amerika te imiteren en uit te lachen. Cartoons tonen zwartgeverfde figuren met dikke lippen, gouden oorringen en primitieve levensstijlen. Toch vinden we Uncle Ben’s nog in elke supermarkt vandaag terug. En we blijven het kopen, misschien zonder er even bij stil te staan.

Ik moet je niet uitleggen dat het tijd is voor verandering. Het duurt weliswaar tot de jaren ’70 en ’80 voordat de emancipatie van de zwarte bevolking in de beeldende kunsten losbarst, zij het samen met een grote feministische beweging en de Act-Up (anti-aids) beweging. Het zijn de gouden jaren voor veel kunstvormen met sociale boodschappen en doelen. Ik lik er tot op vandaag mijn vingers van af.

Ringgold en Legon
Faith Ringgold gebruikt tapijtkunst en textielontwerp voor de afbeelding van taferelen die toebehoren aan de Zwart-Amerikaanse bevolking. We zien afbeeldingen van mensen die zonnebaden op het dak van hun flatgebouw, dansend op de brug en dansend door het Louvre. Wat we moeten onthouden, naast de fantastische mooie werken, is dat verschillende kunstenaars hun eigen geschiedenis gaan claimen. Het leven als slaaf, als minderwaardige, als onderdrukte of als keukenhulp wordt een deel van hun identiteit. Het is het eigen maken van jouw eigen geschiedenis dat lange tijd louter bepaald werd door anderen. Het gaat niet alleen over jouw patrimonium als zwarte, maar ook over het claimen van de stereotypes als vrouw. Denk aan het vastgeroeste idee dat enkel mannen horen te beeldhouwen en vrouwen te naaien.  Vandaar haar uitgesproken keuze voor textiel.

Faith Ringgold, Dancing on the George Washington Bridge 1988
Faith Ringgold – Dancing on the George Washington Bridge (1988)
faith ringgold - dancing at the louvre 1991
Faith Ringgold – Dancing at the Louvre (1991)

Het is in die beweging dat bepaalde scheldwoorden net een manier van identificatie worden, zoals dat ook gebeurt in de LGBT-community met het woord ‘queer’. Vandaag is er een nieuwe term op komst: de ‘crip’s (van cripple) en TAB’s (temporary able person) in het veld van de crip-theory (de variant van de queer-studies voor mensen met een beperking).

Wat het Wiels, Queen B en Luc Tuymans met elkaar gemeen hebben.
Ook vandaag worden er nog altijd inspanningen geleverd om verschillende minderheidsgroepen in de kunsten hun stem te geven – de ene al meer geslaagd dan de andere. De laatste die ik me kan herinneren, is de tentoonstelling ‘Body Talk’ in het Wiels in Brussel van een aantal jaren. Toen goed omschreven als één van de eerste tentoonstellingen in België over zwarte kunstenaressen, toonde de expo werken over hun eigen labels waarmee ze dagelijks geconfronteerd werden/worden. Laten we tentoonstellingen als deze blijven stimuleren en vooral ook onthouden. We stemmen met onze blik. Waar we naar kijken, zal mee bepalen welke kunst de grote instellingen zullen brengen.

Photo credit- Marko Kivioja, Terhi Vaatti & Anni Kivioja, Kouvola Art Museum Poikilo, Finland. Courtesy the artist - miriam syowia fracture (I) 2014
© Marko Kivioja, Terhi Vaatti & Anni Kivioja, Kouvola Art Museum Poikilo, Finland. Courtesy the artist – miriam syowia fracture (I) 2014

Zo doet ook volgend vooroordeel de ronde: wie werkt met minderheidsgroepen in de kunst, zal dat moeten doen ten koste van de esthetische kwaliteit van het werk; het idee dat het betrekken van mannen, vrouwen en gezinnen met een migratieachtergrond, louter wat bestaat uit kunnen ‘knutselen’ met een kunstenaar. Zowel in high- als low-art is meermaals bewezen dat de schoonheid van diversiteit net tot verrijking kan leiden. Het gaat om een houding om minderheidsgroepen aandacht te geven in de beeldtaal van de kunsten. Kijken door een bril zonder oogkleppen – of door eentje met meerdere glazen.

De nieuwe videoclip van The Carters (a.k.a. Beyoncé & Jay-Z) is opgenomen in het Louvre. Ze toont zwarte lichamen in de museumzalen op een choreografie van Sidi Labri Cherkaoui, op een deuntje die de komende maanden de boxen van de Charlatan zal innemen. Op subtiele wijze wordt duidelijk gemaakt dat zwarte lichamen in de museale context een rariteit zijn. Kleine details van zwarte gezichten die uit het donkere sfumato van de barokke schilderijen tevoorschijn komen, tonen ons hoe weinig plek er voor hen is in het Louvre. ‘Dan staan we maar netjes voor de Mona Lisa,’ denken Queen B en echtgenoot.

Tegelijkertijd gelanceerd op de parking naast het M HKA: een grote tent. In de tent zien we een reconstructie of heropbouw (uit 1972) van het legendarische Five Car Stud door Edward Kienholz, een installatie zie op zich al een eigen artikel verdient. Het toont vijf auto’s die een scène in het midden met hun koplampen belichten. Verschillende mensen in het licht, in het donker, in de auto… zijn getuige van hoe een zwarte man wordt geslagen, gewurgd en gecastreerd. De torso van de zwarte man is echter een klein bassin waar het woord ‘NIGGER’ in drijft…

Fondazione-Prada-Kienholz-13-b-961x640©Edward Kienholz, Five Car Stud, 1969–72. Photo Delfino Sisto Legnani Studio

Je ziet, het is maar een manier om naar kunst te kijken. De liefde voor minderheidsgroepen kan veel verder gaan dan loutere specifieke stijlen of kunstenaars. Het zit overal.

“Hoe noemen ze dat ook weer? Nieuwe Belgen van Noord-Afrikaanse Origine.”
Ik kijk uitgesteld naar de Afspraak op 28 mei 2018. Mijn wenkbrauwen fronsen zich vol argwaan. Een interview met Jan De Cock wordt zo ongewild een voorbeeld over hoe neokolonialisme in onze Belgische kunstscene er toch steeds weer opnieuw in druipt. Het is een interview met een smalende sneer naar de ‘Nieuwe Belgen van Noord-Afrikaanse Origine’ en over hoe symbolisch en verhuld wordt gezegd dat ze naar de grond moeten kijken en hen ingepeperd moet worden om naast ‘het probleem’ te kijken. De Cock vertelt vervolgens hoe hij wel blijft opkijken. Ik vraag me meteen af of hij niet eerder uit de hoogte kijkt…

JAN-DE-COCK
interview bekijken? Klik HIER.

Dat ‘onschuldig’ interview illustreert andermaal hoe een all-white panel een discussie heeft in een praatprogramma over de multiculturele bevolking en hoe zij dat vooral vergeten te doen met de multiculturele bevolking. Zo krijg je al snel een interview dat toont hoe je ‘streetsmarts’ jou duidelijk niet zullen redden wanneer je er een integere mening aan over wil houden. Ik verslik me in mijn glas melk -want, ik drink geen koffie- en begin naar het interview te kijken uit eigenbelang in plaats van idealisme en liefde voor de diverse en multiculturele samenleving. De Cock trapt zo vakkundig op de bevolking die hem joeg uit zijn atelier. De ‘laatste levende Vlaamse Primitief’  – die titel claimt hij zelf – lijkt me eerder te wijzen op zijn ronduit conservatieve, ietwat megalomane en koloniale houding tegenover de multiculturele samenleving en haar diverse bewoners. Daar zit niemand op te wachten. Zoals ook niet iedereen zit te wachten op de grote vernieuwing in de kunst wanneer de schoolrekeningen niet kunnen betaald worden, de ijskast leeg is en je altijd iets harder moet weglopen van de politie.

‘Eigen ‘kunst’ eerst,’ denk ik dan.

Maar over dit soort pretentie (die van het ‘menen ‘de’ oplossing te hebben’) gaat het. Een dialoog tussen de man in het maatpak uit het Kuregems kasteel en z’n omgeving lijkt me vooral te vertrekken vanuit diezelfde ivoren toren. Het is van onnoemelijk groot belang om te beseffen dat een eigen identiteit cruciaal is om je thuis te voelen in een maatschappij.

En oké, ook ik met mijn spierwit vel heb er mijn mening over. Het gesprek zou vooral gevoerd moeten worden door zij die er in eerste plaatse dagelijks mee geconfronteerd worden.

Dat gesprek, nota bene getoond op nationale televisie, toont aan waarom de impact van ‘This is America’ net zo omvangrijk, zo belangrijk en zo terecht is. Het toont aan waarom Faith Ringgold zo charmeert. Al goed beseffende dat het om verschillende identiteiten, nationaliteiten en minderheidsgroepen gaat, overschrijdt het probleem meerdere grenzen: allemaal hebben ze te maken met media en beeldende kunst die vooral ‘over’ hen spreekt, en niet ‘met’ hen. Dat gebeurt bovendien nog vaak zonder enig besef van de geschiedenis die ze delen, de collectieve onderdrukking of nog erger… lijkt soms enkel gebruikt te worden uit eigenbelang van de kunstenaar ter sprake. Het toont aan hoe de kunstwereld nog altijd de ogen niet opentrekt en zichzelf verdrinkt in blank, betweterig elitarisme. 

Ik vraag me al jaren af wanneer zij hun dominante stem zullen doorgeven in de media en de beeldende kunsten aan de nieuwe, en hopelijk meer gekleurde, kunstenaars.

GLENN LIGON, “Warm Broad Glow,” 2005©Glenn Ligon, “Warm Broad Glow,” 2005

 

 

Featured image: Screenshot uit Apesh*it – The Carters