Bloedrode Oren op een zondagmiddag

In het M HKA loopt naast de solotentoonstelling van Thea Gvetadze Sanguine/Bloedrood. Luc Tuymans zet daar hedendaagse en 17e eeuwse kunstenaars naast elkaar in het kader van het Antwerpse Barokjaar, gewijd aan Rubens.

Progressief van hart maar klassiek qua leden, balanceert mijn verwachtingspatroon over de tentoonstelling tussen “conceptueel, elitair gezeik” en “esthetisch betoverende kwaliteit”. Luc Tuymans, vriend van Vlaams-nationalistisch mecenas F* Huts, beweerde immers samen met deze zonnepaneelkoning dat privaat ondernemerschap in de kunst te verkiezen was boven publieke investeringen.

Bon, de horreur om fratsen tegen te komen wordt getemperd door de algemene kennis die ik heb over Luc Tuymans, één van grootste – of toch best betaalde –  kunstenaars die in de voetsporen van Gerard Richter maatschappelijke kritiek koppelt aan reflectie over schilderkunst. Met de bagage van een kunsthistoricus toonde hij eerder in zijn werken zijn affiniteit met het door mij zo genegen canon. Het leek me interessant om te kijken hoe hij zijn historisch gefundeerde visie op de curatoriële schaal uitdraagt.

OK, kom, het zal wel meevallen, auto op slot en binnen in het M HKA.

De bibliotheek, waar de ticketbalie zich bevindt, laat een verheven indruk en beneden in de grote open ruimte zijn de muren behangen met werk van Thea Gvetadze. Ik lummel wat rond, beland in museummodus en ga naar boven om de keuzes van Tuymans in me op te nemen.

Wanneer ik de glazen deur open, galmt de klassieke muziek me om de oren terwijl ik al zie dat in een corridor een processie wordt geprojecteerd van een opgezette leeuw die gedragen wordt door vier politiemannen in een favela  (El Léon de Caracas, 2002). Ik ben gefascineerd door het dramatische en ceremoniële effect. Het surreële contrast tussen de miserie en de fascinatie van de toeschouwers past perfect bij de heldhaftigheid van de opgezette koning der dieren.

De jongen gebeten door een hagedis van Caravaggio moet nog aankomen, grotendeels omdat Tuymans de bruikleen slechts drie weken voor de opening rond kreeg. Naast zijn kunsthistorische kennis is dus het artistieke netwerk van de curator een verrijkende bijdrage aan deze tentoonstelling. Een zwart-witte poster moet compenseren dat ik mij niet kan vergapen aan de schichtige gelaatstrekken van deze verwonde faun. Ik draai naar rechts en kijk op een jurk van groene kevers (Mur de la Montée des Anges, 1993), een handelsmerk van Jan Fabre dat me op ieder moment aanspreekt omwille van de glans en de suggestie van een krioelend bestaan. Het beeld hangt meer dan twee meter hoog en het lijkt alsof een modepop ten hemel stijgt, maar ook weer niet omdat de pop normaal het kleed draagt. Een glinsterende groengenster in de vorm van een vrouw en tegelijk ook weer niet, want het is een figuur zonder hoofd of schouders. Het is fascinerend, verwarrend en verfrissend. In de volgende ruimte spelen ze op een kleine televisie Rubens van Henri Storck en Paul Haesaert (1948), een klassieker die nog niets van zijn kracht heeft verloren. De manier waarop de vormelijke ideeën worden vertaald op film blijft van een onwaarschijnlijke helderheid en inzicht. Wanneer ik me omdraai, zie ik twee portretten van Anthony van Dyck (Studiekop, 1618 en De Schilder Marten Peppijn, 17e eeuw) aan weerszijden van Borremans Sleeper (2008). Gezichten even anoniem als universeel menselijk.

En dan maak ik kennis met de grootste teleurstelling: de bewakingsapparatuur. Het is al schandalig genoeg dat een schilderij niet tot vlakbij mag bestudeerd worden om te genieten van de finesses van de meesterhand. Maar dat de sensor een verschrikkelijk enerverend alarm laat afgaan, is een aanfluiting voor iedereen in de ruimte die geniet van het visueel festijn. Tijdens de rest van mijn bezoek zouden nog verschillende liefhebbers proberen op neuslengte van het schilderij de geheimen van de kunstenaar te benaderen. Snerpend, niet te negeren gepiep zou mij bijblijven bij elk kunstwerk dat ik daarna zie terwijl ik me mateloos irriteer aan het gebrek van respect voor de gezangen van El Léon die overal galmen.

bloedroodJ. Fabre, Mur de la Montée des Anges, 1993 (M HKA Collection/Collection Flemish Community), eigen foto.

Caravaggio’s fans kunnen zich gelukkig wel vergapen aan De geseling van Christus. Door de matige belichting lijkt het craquelé zich als rimpels op de donkere partijen te verspreiden. Terwijl over het contrast met de egale huid van Christus contempleer, tjierpt de sensor weer. Meer expressiviteit kan ik ontwaren in de voorheen geobserveerde dubbele Rubens: de Roof van de Sabijnse Maagden en De Verzoening tussen de Romeinen en de Sabijnen (1640). Hier spat de primaire laag onder de vlekkerige vegen van de figuren. De achtergrond is schetsmatig aangebracht, wat doet vermoeden dat het werk in een atelierstadium is. Vandaar dat de sensoren niet zo anaal reageren! Dat Rubens tijdens het schilderen werd overmand door jicht en de dood, vind ik minder interessant dan dat het effect, het non-finito, de mogelijkheden van het medium letterlijk in de verf zet. Een perfecte illustratie van wat Haesaert kort ervoor verwoordt: “De Rubensiaanse stijl golft als het water, de wolken… de vlammen”.

bloedrood5
P.P. Rubens, De verzoening tussen de Romeinen en de Sabijnen, 1640 (Belfius Art Collection)bloedrood6
P.P. Rubens, De Roof van de Sabijnse Maagden, 1640 (Belfius Art Collection)

Het is even efemeer als zwierig. Ik bedacht dat ik even lyrisch en dichtbij de Caravaggio wou observeren.

In dezelfde ruimte hangt een Vanitastafereel van Fransiscus Gijsbrecht en Circa Tabac van Carla Arocha (de vrouw van Tuymans) & Stéphane Schraegen, een werk dat bestaat uit zeshoekige spiegelachtige prisma’s die tegen elkaar staan. Het ensemble klopt qua thematiek, de memento mori van de Lijdende Christus, de ijdelheid van het leven en de voortdurende confrontatie met het zelf. Het gevoel dat deze aspecten zinspelen op hetzelfde thema maar iconografisch anders zijn uitgewerkt, stimuleert inderdaad het visuele denken. Woorden schieten te kort, maar het beeld spreekt.

De confrontatie tussen canonieke en contemporaine kunst begint meer ingang te vinden, zoals bijvoorbeeld in het MSK (Tuymans schilderde er een fresco) en Museum M. Maar in het M HKA inspireert de juxtapositie van 17e eeuwse en hedendaagse kunst tenminste. Afgezien van Haesaert en enkele werken uit de jaren ’70 en ’90 stammen de andere kunstwerken van 2000 of later. De tentoonstelling doet je reflecteren over het barokke in onze tijd, de emotionaliteit, levenslustigheid en visualiteit die zo (omni)present is. Of hoe moderne kunst de klassiekers kan afstoffen en hoe de canon meer decorum kan verlenen aan de schijnbare banaliteit van sommige hedendaagse werken. Ik zou natuurlijk kunnen emmeren over het aandeel van privé-verzamelingen en het elitaire netwerk waaraan Tuymans deelneemt. Maar de tentoonstelling doet me reflecteren en daar hou ik van. De opstelling kon soms wat druk, maar langs de andere kant had dat het aantal kunstwerken fel beperkt.

 

Ik kijk er al naar uit welke confrontatie dit volgende jaren gaat geven met het Breughel- en het Van Eyck-jaar. Zeer waarschijnlijk zullen deze gehypete Vlaamse Meesterjaren nog zulke (misschien nu niet meer zo vernieuwende) perspectieven hanteren.

Ga dus kijken, erger je niet teveel aan de slechte belichting en neem een beatbox mee om het sensor-gepiep te compenseren.

 

 

Featured image: Jan van Imschoot, L’adoration de François pour Judith, 2014, Collection: Peter Rodrigues, MHKA