De horror van de Toren van Babel

Ik zit gezapig en uitgezakt neer voor de televisie, een weinig voorkomend tafereel, en kijk naar Jamie’s Comfort Food. Ik droom weg tussen ham met Jamaicaanse kick in the balls-kruiden en een uitbundig gedecoreerde en gesuikerde chocoladetaart. Ondertussen dwaal ik even weg op mijn gsm (blijkbaar is dat een ding van de ‘millennial generatie’ om tegelijk naar een televisie- en smartphonescherm te kijken) en lees ik kritisch Kristien Hemmerechts’ quote inzake de dt-regel, opgepikt door De Standaard (18 juni) uit een gesprek in De Zevende Dag: “Vroeger was het dictee enorm belangrijk, maar nu heeft elke computer een spellingscheck. In alle eerlijkheid, ik denk dat de dt-regel gaat verdwijnen.”

Ik denk, “Wat?”

Hemmerechts situeert haar uitspraak even later: “Taal evolueert enorm snel. Spreektaal is een andere status gaan krijgen dan schrijftaal. Als je dat toelaat in de klas, kunnen er interessante dingen gebeuren.”

Uiteraard is Hemmerechts anekdotisch bezig. Met zo’n uitspraak staaf je geen statement of een mogelijke voorspelling. Toch is er genoeg voer voor discussie en het zoveelste opiniestuk (waaronder ook deze).

De Standaard lanceert prompt een opiniepeiling op Facebook. De meerderheid wint, 82 procent is tegen een aanpassing, 18 procent is voor (althans, wanneer ik de stem uitbreng). Ik stem tegen. Mijn vriend zegt dat ik me daar niet moet in opwinden. Hij is dyslectisch, maakt zichzelf nu en dan eens schuldig aan een onschuldige dt-fout – die ik overigens nu eens gretig, dan weer op zijn verzoek corrigeer – en is het op een bepaalde manier al gewoon om spelfouten te maken. Ik snap hem wel, maar…

Misschien is het omdat ik ben opgegroeid met de positieve angst voor dt-fouten (bedankt moeder), misschien komt het omdat ik geluk heb met een zogenaamde aanleg voor talen, misschien koester ik gewoon taal. Mij gaat het in deze discussie niet zozeer over de geschiedenis of toekomst van de dt-regel, maar het verschil tussen een gesproken en geschreven taal. Dat taal evolueert, hoef ik je niet uit te leggen; noch dat Engels jargon in tegenstelling tot vroeger vaker de intrede maakt dan Franse termen, dat veel woorden ‘vernederlandsen’ om zo de eenheidsworst die de globalisatie afdwingt, tegen te houden en dat de verangelsaksisering alomtegenwoordig is en misschien zelfs onafwendbaar. Zowel de gesproken als geschreven taal ondergaan verschillende evoluties waarvan de een verbetering in de hand werkt en de ander een ‘verarming’ van taal teweegbrengt. Verarming, want bepaalde woorden verdwijnen dan ook uit het persoonlijk woordenboek van sommige mensen. Ik ontdekte bijvoorbeeld mijn eigen hiaat door het invullen van (banale) kruiswoordraadsels. Afijn, de tijd staat niet stil, taal evenmin.

De teneur die volgt uit Hemmerechts’ stelling is er één die beweert dat jongeren geen moeite doen om hun taal correct te schrijven of dat het net te moeilijk is voor hen. Laten we het simpeler maken voor de jeugd want hun taal bemeesteren lukt hen blijkbaar niet. De oudere generaties smullen daar natuurlijk van met hun “De jeugd van tegenwoordig…”-uitspraken. De jeugd kent zijn taal niet meer en kan de verschillende regels niet deftig toepassen. Want, wij zijn de ‘millennial generation’, opgegroeid tussen digitale schermen, sociale media en automatische spellingscorrectie. Conclusie? De jeugd kan niet meer schrijven. We hanteren een jongerentaal of dialect in de schrijftaal. Laten we die verdomde dt-regel gewoon van de baan schuiven!

klap_NANOE_1

In mijn oren klinkt het als veel geblaat, weinig gebaat. Ik heb tijdens mijn universiteitsjaren vaak mogen aanhoren dat mijn taalgebruik nogal studentikoos en vulgariserend is – waarschijnlijk wel terecht. Toen ik echter vroeg op welke manieren ik dat zou kunnen oplossen, kon ik de hooibaal over de straten horen waaien. Aan de UGent is er wel een Taalbegeleiding en -adviescentrum in het leven geroepen, maar of dat hét probleem zou oplossen? Al is het wel een stap dichterbij een meer ondersteunende omgang van jongeren met taal.

Toen ik in IJsland woonde en de lokale taal deftig kon beheersen, viel me één ding het snelste op: het verschil tussen het plattelandse en stedelijke (lees: hoofdstedelijke) IJslands. De eerstgenoemde representeerde voor mij een heldere uitspraak met IJslandse klemtonen en woorden, het laatstgenoemde verraadde de opgang van Amerikaanse invloeden. Engelse woorden werden kwistig gebruikt in de spreektaal en de nasale toon deed me meteen denken aan het gesproken oer-Amerikaans Engelse dialect uit de Far West, spoken only in ‘Merica. Waar ik me in mijn dorp waande in een IJslands taalbad, ervoer ik taalkundige hoofdpijn in de hoofdstad. Ook al beheerste ik de grammatica niet volledig (IJslandse grammatica is één van de moeilijkste in Europa, take that dt-regel!), toch viel het mij soms op hoe ‘laks’ sommige taalregels werden behandeld in de hoofdstad. Niet omdat ze het te moeilijk vonden (alhoewel, ik zou het hen niet kwalijk nemen), maar omdat het Amerikaans Engels in opmars kwam op de straten, in de winkels, op de in de VSA aangekochte iPhones en ga zo maar door. Doorspekt van Amerikaans Engels werden de schrijf- en spreektaal slaaf van een niet-familiaire indringer: de digitalisering.

Kijk, taalevoluties zijn geen uitzondering van deze tijd en allicht zullen er nog heel wat plaatsvinden. Toch zou een ‘appje’ (ik voel de hoofdpijn alweer opkomen), een automatische taalcorrectie of kortweg de digitalisering onze omgang met geschreven taal domineren en radicaal veranderen. Applicaties, berichten, sociale media… het zijn allemaal vluchtige kanalen die royaal gebruikt worden. Beeld na beeld en zin na zin worden we overspoeld door tonnen informatie die we inhoudelijk én structureel niet altijd even goed bevatten. Zinnen worden verhakseld in tientallen aparte stukken, want het typen verloopt nu eenmaal snel en we willen de inhoud zo snel mogelijk meegeven aan de ontvanger. Enter. Bericht verzenden. Bericht ontvangen. Nieuw bericht typen. Het mondt uit in een eindeloos heen-en-weer verkeer van kortstondige mededelingen, de een al wat correcter of helderder neergeschreven dan de ander. Goed, iedereen schrijft wel eens een fout en dat is zeker oké. Zelfs auteurs, mensen die van een taal hun beroep hebben gemaakt, durven al eens de mist ingaan. Griet Op De Beeck werd onterecht overstelpt door lezersbrieven die haar wijzen op allerlei dt-fouten in haar boek Het beste wat we hebben. Reden? De werkwoordsvervoegingen in verleden tijd bij de persoonsvorm ‘gij’. We wijzen elkaar maar al te graag op taalfouten, zeker wanneer die plaatsvinden in een professionele context. Ook al was het deze keer niet terecht, wanneer we een fout opmerken, heeft de ander het sowieso begrepen.

Hemmerechts beweert een andere machtsverhouding tussen schrijf- en spreektaal, een relatie die creativiteit zou bevorderen ten koste van een stoffige regel waar we geregeld over parlevinken. Daar wringt net het schoentje. Is een afschaffing wel dé oplossing naar een vlotter en correcter taalgebruik? Moeten we de verhouding herdefiniëren, aanpassen of teniet doen? Kan een goed uitgewerkt platform of begeleidingsorgaan de grammaticale problematiek oplossen of waar kan de ondersteuning beter?

De discrepantie tussen geschreven en gesproken taal was er al duizend jaar geleden, toen het Latijns de schrijftaal domineerde en gelijk stond aan het zuivere, elitaire en correcte, en de gesproken volkstaal ronduit analfabetisch, bederfelijk en incorrect was. De juiste voertaal niet beheersen leidde tot taalkundige verwildering en verbastering, een foute verering van de taal van de ouders en voorouders. Taal vormt ook inherent een deel van een cultuur en maatschappij. Het is vervlochten met de geschiedenis van één of meerdere bevolkingsgroepen en leunt nauw samen met de culturele geschiedenis van één of meerdere bevolkingsgroepen. Wie aan een taal komt, treft ook de cultuur. Extreme wijzigingen in de schrijftaal wijzen al eens op een opstand of standpunt van een bevolking. De ‘bevrijding’ van het Nederlands onder de hegemonie van het Frans kan daaronder geplaatst worden.

KLAP_NANOE_2

Vandaag blijft dat verschil op sommige momenten gelden. Geschreven taal heeft ingeboet aan dominantie (geloof ik) in deze digitale hoogdagen, maar beïnvloedt nog steeds onze mening over iemand anders – al willen we dat niet altijd toegeven. Denk maar aan spontane reacties op berichten op sociale media van mensen, nieuwssites, andere organisaties en dergelijke. Tijdens verhitte discussies over onderwerpen waar we allemaal onze mening over willen geven, geloven we op het eerste zicht soms de statements sneller van mensen die een juist taalgebruik met correcte spelling en grammatica hanteren dan van mensen wier teksten ruiken naar grove taalfouten. Want mensen die onvoorzichtig omspringen met grammatica en dt- of andere (spel)fouten, zouden wel eens niet lang genoeg nagedacht hebben over hun mededeling of statement. Ik hoor het al: “Leer Nederlands spreken vooraleer je iets zegt.” Oftewel, bezint eer ge begint. Ik hoef hier niet neer te pennen waar je zulke reacties, weliswaar soms iets heftiger verwoord, kan terugvinden. Fouten in professioneel e-mailverkeer of tekstueel werk kunnen evenzeer zorgen voor een oppervlakkige, foutieve indruk over de capaciteiten, talenten en bekwaamheid van een individu. Ik beperk me hier niet tot “mijn generatie”, maar spreek hier over en tot mensen van alle leeftijden.

Dat “bezint eer ge begint” brengt me wel tot het volgende.

Laten we de onvoorzichtige, vluchtige omgang met taal een volledige werkwoordvervoeging wijzigen? Want de dt-logica strekt zich verder uit dan de klassieke ‘ik vind, jij vindt, vind jij, hij vindt’ of ‘het gebeurt, het is gebeurd’. Het gaat hier misschien ook over de ‘pijl’ en ‘peiling’, het ‘rauwe’ en de ‘rouw’. (Ik beeld mezelf al de blik van mijn vriend in wanneer ik hem betrap op een ontiegelijk lelijke spellingsfout.) Ook al bestaan er duizenden trucjes om taalkundige regels onder de knie te krijgen, toch vlot dat niet voor iedereen. Het is even vervelend om fouten te zien als fouten te maken en gecorrigeerd worden. Ik denk alweer aan de IJslandse grammatica en word gek bij de gedachte dat er 16 verschillende schrijfwijzen zijn voor het woord ‘paard’ en dat de vervoegingsregels er meer dienen als uitzondering dan regel.

Ja, misschien is het goed om een stuk(je) tekst extra goed na te lezen, om meer aandacht te schenken aan bepaalde vervoegingen, om taalondersteuning op te schroeven of om regelmatiger een externe lezer erbij te halen – ik schrijf maar iets. Gaat dat de dt-heisa oplossen? Neen. Zal het ooit opgelost raken? Waarschijnlijk niet, tenzij Hemmerechts de regel magischerwijs uit onze taal laat verdwijnen. Al lijkt me dat geen beter voorstel.

Ik hoop vooral dat eender welke taal niet lijdt onder de negatieve consequenties van de op dreef geraakte digitalisering. Koester taal zonder betuttelend over te komen. Taalfouten sijpelen binnen in alle leeftijdsgroepen en door automatische spelcorrecties of, wie weet, artificiële intelligentie zal taal wellicht nog meer moeten incasseren.

We bouwen met z’n allen mee aan een taal die meedeint met haar cultuur en gebruikers. Het nodeloos afschaffen van een regel luidt misschien het begin in van meerdere verdwijningen. Het zou een hartzeer zijn voor iedere liefhebber (of gebruiker) van een taal, een tegenovergestelde verering van wat de taal ooit was, een acceleratie richting de Toren van Babel waar we misschien best zo ver mogelijk van weg blijven. Laten we geen puristen noch blinde ontvangers zijn van elke vorm van taalverandering.

Goed, ik heb het eindelijk eens van me kunnen afschrijven. Back to you, Jamie.

 

Het oorspronkelijke artikel van Kristien Hemmerechts zelf even lezen? KLIK hier.

 

Illustraties werden gemaakt door Nanoe Carremans.
Wil je meer zien van Nanoe? KLIK hier.