Kortverhaal: Gardening at night

Een tuin, bij nacht, zwoel, tjirpende krekels, maanlicht.
Zij en ik, onze voeten onder een pergola, momenten aan het stelen.

‘Ik dacht dat ge dood waart,’ zegt ze.
Ze bijt in mijn oorlel wanneer ze de woorden in mijn oor blaast. Ze weet dat ik daar niet tegen kan en ik kronkel mijn oor als een boa constrictor uit de buurt van haar mond en tanden.
De omgekeerde wereld, denk ik, en daar moet ik hardop om lachen.
Ze sist.
‘Dat vindt gij om te lachen, dat ik dacht dat ge dood waart?’
Half opgericht in een verontwaardigde pose, die ik meteen uit marmer zou willen houwen als ik beeldhouwer was.
Ze wacht op een antwoord en ik zeg: ‘Ik lach niet met u, maar met een boa constrictor.’
Haar standbeeld wordt weer mens, goddank.
‘Als het dat maar is,’ zegt ze.
Ze blijft gelukkig uit de buurt van mijn oor.
Het is warm, bloedheet.
Ventilatoren verkopen tegenwoordig beter dan ijsjes.
We liggen een tijdje op onze rug, blote armen raken elkaar af en toe, zij kan immers niet stilliggen.

Ik wel.
Ik heb wel iets van een beeldhouwwerk. Uren kan ik dezelfde houding aannemen. Zonder verpinken. Als het moet kan ik een minuut niet knipperen.

Zij lacht, naast mij.
Haar lijf schokt mee, weer.
Ik verdenk haar ervan dat ze me uitlacht, maar dat deed ik daarnet ook met haar.
In het maanlicht zie ik haar halve gezicht.
Haar op en neerdeinende borst.
Het kuiltje in haar nek waar alles mee begon.

Een café, bij het krieken van de dag, geur van brood en koffie, zij – en ik.
Ik was werkloos.
Nu ben ik werkzoekend, wat hetzelfde is, maar het klinkt beter, zei ons ma.
Ook tijdens vakanties zoals deze.
Zij was de bonus.
Na een nacht stappen was ik niet naar huis gegaan.
Mijn bed stonk, mijn hele kamer stonk en de badkamer was een stal.
In de visbak lag de vis al drie dagen dood. Ik heb een teer hart, ik durfde dat beest niet aan te raken.
Ik had honger en ging het café binnen, dat op een Amerikaanse diner leek, met net dezelfde mintgroene plastieken banken en serveuses die lauwe koffie in kannen rondbrengen naar sukkels als ik.

beeld_b

Zij dus.
Zij bracht mij koffie en ik keek naar het kuiltje net onder haar hals.
Het was het einde van haar shift en we bleven allebei plakken op de mintgroene banken.
Ik vond het wonderlijk: voor het ontbijt was ik ik en na het ontbijt was ik wij.
Zij ruimde de vis op.
We hebben er nooit meer een woord over gezegd.

Terug in de tuin, nu.
Het moet al niet veel zotter worden,’ zegt ze dan.
Ik heb niet de indruk dat ze het tegen mij heeft, dus zwijg ik.

De helft van de tijd heeft ze het tegen bloemen.
De bloemen op haar ontbijtkop, de bloemen in de vaas, de bloemen op het behang. Ze geeft ze zelfs een naam, begot.

Een schaduw glijdt over mijn lijf, haar bovenlijf blokkeert de maan.
Het is haar verontwaardigde standbeeldpose weer.
‘Waarom zegt ge niks tegen mij?’
Ze klinkt overtuigend, maar ze meent er geen barst van.
Ze weet al sinds de mintgroene banken dat ik geen prater ben. Om haar te jennen of om iets in dat gebeeldhouwde profiel te veranderen, rek ik de stilte nog wat meer uit.

Het lukt, ze klimt half over mij heen.
‘Slaapt ge?’ klinkt het zacht, ze wordt niet boos. Ze heeft me misschien wel door, maar dat geeft niet. Het is geen misdaad als een mens iets doorheeft en daardoor bovenop u kruipt.
Ik moet weer lachen.
‘Zeg, niet weer,’ zucht ze. Ze ploft met heel haar gewicht op mij, zodat de lucht in mijn lijf wordt samengeperst. Nu blaas ik in haar oor.
Het enige wat ik kan bedenken is dat ik blij ben dat ze geen uit marmer gehouwen standbeeld is.
‘Waar denkt ge aan?’
Ze kriebelt mijn oor, likt het en dan grijp ik haar vast en rol haar onder mij. Dat zie je vaak in films, het gaat mij verbazend vlot af.
‘Voel ik dood?’ grom ik en steek mijn kin in haar kuiltje.
Het voelt vochtig, is het mijn of haar zweet?

Als beeldhouwen me niet lukt, moet ik misschien film overwegen. Voor of achter de camera, dat maakt niet uit.
‘Stouterik,’ zegt ze, maar ze drukt haar onderlijf dichter tegen me aan.
We hijgen allebei, de krekels verstommen erbij.
Het is geen zicht voor die paar mieren en muizen die ons gadeslaan, maar van het een komt het ander en nadien liggen we weer als eerst.

Ik laat haar kuiltje met rust en zij heeft ook geen zin meer in mijn oorlel.
We zuigen om de beurten aan een sigaret, een van haar.
‘Wel delen,’ zei ze, toen ik het uit haar pakje schudde.
Ik laat haar eerst inhaleren, eerlijk duurt het langst.

‘Ik dacht echt dat ge dood waart,’ zegt ze weer, maar het klinkt anders dan eerst.
‘Boa constrictor,’ zeg ik en trek aan de sigaret dat ze kraakt. ‘Daar dacht ik aan.’
Ik voel dat ze knikt.
‘Die kunnen hun prooi in één keer slikken,’ zegt ze. ‘Ik dien daar niet voor, ik stik al half op het vel rond de salami.’
‘Ge moet salami zonder vel kopen,’ zeg ik.

beeld_c

In gedachten hak ik haar uit een grote klomp steen, brok voor brok.
‘En zonder look,’ zegt ze. ‘Of ge moet er alletwee van eten. Ik had vroeger een lief, die at de lookbollen zo los op. Uit een bokaal, ingelegd in de olie.’
Ze zwijgt.
Na een tijd: ‘Er zijn grenzen. Hij deed mij nog goesting krijgen om vampier te worden.’
Ze lacht, de krekels doen weer mee.
Het gras onder mij voelt klam. Ik kijk naar boven, naar de lucht met zwarte en grijze wolken.
‘Dit is een goede tuin,’ zegt ze. ‘Ik wil hier nog komen.’
‘Als het maar nacht is,’ zeg ik. ‘Ik tuinier nooit overdag.’
Ik sta op om achter een struik te gaan plassen.
Ze giechelt.
‘Gardening at night,’ blaast ze in mijn oor, wanneer ik weer naast haar kom liggen.

We kijken nog een tijdje naar de maan en staan dan op. De tuin is stil, de villa ook.
Ik help haar over het beveiligde hek. Een knoert van een hek en geen alarmsysteem. Kan het nog zotter?
‘Nee,’ zegt ze, ernstig.
En dan geeft ze mij een klap op mijn arm.
‘Een beest,’ zegt ze.
Ik kijk naar haar hand, op haar palm zit een smurrie. Een mot? Krekels vliegen niet.
‘Morsdood.’
Ze lacht en wrijft haar hand schoon aan haar rok. Ze ruikt eraan en trekt een gezicht.
‘Man, ik dacht dus echt dat gij dood waart.’

 

 

Kortverhaal door Inge Misschaert.

Illustratie werden gemaakt door Watcharita Aroon.
Meer zien? Bezoek saamielola.com