KLAP schrijft samen.

(Romy)

Tijdens de blok verandert de wereld in één grote tentoonstelling, waarbij je bij iedere blik iets nieuws ontdekt. De witte muur in je slaapkamer lijkt plots een minimalistisch schilderij vol minuscule imperfecties. Telkens je blik afdwaalt van je cursus, ontdek je een nieuwe vlek. Elk uniek in zijn soort. De ene permanent, de andere slechts tijdelijk. Hoe langer je naar de schaduw van de kamerplant in je linker ooghoek kijkt, hoe meer buitenaardse kenmerken hij vertoont. Stilaan verliezen de voorwerpen rondom jou hun functionaliteit tot het gewoon dingen zijn. Alsof je ronddoolt op een onbekende plek, die je het onbehagelijke gevoel geeft er al eerder geweest te zijn.

(Josefien)

mijn hoofd schreeuwt:
Oote oote oote
Oe oe
Oe oe oote oote oote
A
A a a
Eh eh euh
Euh euh etc.
Rembrandt, Rembrandt, Rembrandt, rem, brand, rem, brand

Deu deu deu da dd deu
Deu dieu dieu dieu

en ik kots mijn bladeren er terug uit.

(naar Paul van Ostaijen)
(Heleen)

Oe?
Wacht, neen!
Die ook nog?

Prioriteiten, lady, prioriteiten, ok.
En waarom “een” dan niet?
Wat heeft “de” je eigenlijk misdaan?
Ik kies graag zelf mijn favoriete woord.
Haal tenminste die pasteltinten weg uit mijn omgeving.
Ik zag muntgroene hesjes ook nog geen protest winnen!
Doe maar, als jij kleuren wil in plaats van blokken.
Maar ik kreeg migraine van je, met je geduw en getrek.
Dus mijn licht gaat stilaan uit, ik zet mijn slaapmuts weer op.

(Bron: Stil gepiep van een fluostift in die samenvattingsperiode waarin alles mogelijk lijkt)
(Ellen)

Dieper dan een ravijn,
zo klein dat je niet ziet dat achter elk dal een berg zal komen,
hoger dan alle vorige.

Afbeelding2

(Aike)

Mijn gitaar lonkt.

‘K-k-kom dan…’

‘Neen, gitaar, nu niet.’

Mijn gitaar snikt zachtjes in de hoek.

‘Sorry, sorry, ik moet mij focussen.’

‘Normaal ben ik belangrijker dan je boek.’

(Adam)

Het mooiste wat ik vorig jaar heb meegemaakt is opnieuw de veelzijdigheid van het menszijn. Het komt in en rondom onze persoon wel eens de kop op steken. De gulzigheid van de lust afgewisseld met de moed van de liefde. De woede van de traagheid gekoppeld aan de hoogmoed van luiheid. Matigheid ten prooi aan de gierigheid van jaloezie. Maar steeds met de hoop op wijsheid en het geloof in rechtvaardigheid. Benieuwd welke deugden en zonden dit jaar mij zal opleveren.

(Suzanne)

‘Vervallen eigendom’ rapporteert een notitie,
toch is het nog niet zo oud.

Mijn hoofd dient als opschrift.

Jargon anders als rechtspraak,
om uit te leggen dat mijn hoofd uit staat.

Mijn hoofd staat uit.

Af als het nachtlampje dat ik dicht knip,
en mij het donker ontwaard.

Mijn hoofd is er niet uit ontwaakt.

Een notitie om uit te leggen dat mijn eigendom,
dom en niet eigen is.

(Inge)

Propvol

Mijn hoofd zit propvol. Het waait en zwaait en sputtert en zwalkt. Raar maar waar. En allemaal roepen ze, om het hardst. Trekken aan mijn mouw, schudden aan mijn arm. Mijn gedachten flitsen heen en weer, ik weet niet waar eerst. Zou ik hier … ? Of nee, daar … ?

En dan is er plots eentje dat veel harder roept dan de anderen. Dat erg groot wordt en mij bij mijn nekvel grijpt, me naar de pc duwt en mijn aandacht als een marionet aan touwtjes naar zich toe trekt. De anderen sputteren en morren. Ze doen beledigd en sommigen draaien zelfs hun rug naar me toe. Maar ik spreek ze sussend toe, dek er eentje toe die zich blootgewoeld heeft en strijk teder door hun haar. Tot later, fluister ik.

Deze keer lijkt het net of ik voor een groot oerwoud sta. Onontgonnen, onbetreden. Ik heb een scherp mes en moet het pad hakken, de weg banen, het einddoel vinden. Meestal is bij mij de weg als een autosnelweg, met op het einde een grote Finish met flikkerende lichtjes die mij aantrekken als het licht een mot en waar ik met razende snelheid naar toe vlieg.

Maar nu is het dus anders. Ik moet een donker woud in. Ik slik, ik treuzel, kijk even achterom, maar daar is ook niets te beleven. Het moet dan maar, denk ik dapper en ik hak de eerste liaan in tweeën. Ik haal heel diep adem en duik.

Mijn cursus in.

Verhalen moeten wachten.

(Eva)

Ik open mijn ogen, zachtjes want het eerste ochtendlicht komt fel aan, en tast naar iets grijpbaars naast mij. Wekker, uit. Ik, op. Ik duw, nee stuw, mezelf het bed uit – strompel strompel richting de koraalroze badjas die schittert aan een kinderkapstok die verkeerdelijk gekocht is in de IKEA-winkel. Ik kleed me aan, merk alweer een chocoladevlek op tussen de koraalroze pluisjes (“Hoe komt dat daar zelfs terecht?”) en begeef me verder richting de keuken waar nog geen Peruviaanse koffiegeur uitkomt. Ik open de kille koelkast, staar naar de verzameling kazen om dan uiteindelijk het pakje koffie eruit te nemen terwijl het water al opwarmt. Het duurt vier minuten totdat de waterkoker aangeeft het kookpunt te hebben bereikt. Die vier minuten gaan traag want ik beleef ze niet echt, mijn hoofd zit nog in een imaginair, parallel leven waar ik ‘s nachts al eens vertoef. Mijn lichaam staat op cruise control. De handelingen verlopen quasi automatisch en onbewust. Vier minuten. Ik ga gestaag verder in mijn ochtendritueel en pak een koffiefilter en een rode, keramieken kop waar bijna 300 milliliter van dat zwart goud in kan. De kop heeft een dikke rand – heerlijk om mijn lippen aan te zetten, want het voelt zo gemakkelijk aan – en een bijna te perfecte holle binnenkant onderaan. Het schiet me net te binnen dat ik beter door doe, want ik wil nog veel doen. Ik wil ook nog een boek uitlezen waaraan ik al een jaar figuurlijk aan de pagina’s scheur en het maar niet af krijg. Ik wil nog gaan sporten, eten maken, artikels uitlezen, met honden gaan wandelen, interactie met mensen hebben en uit het raam staren want het uitzicht is fantastisch. Ik giet heet water in de kop zodat ie al voorverwarmt, ook al drink ik mijn koffie warm in plaats van loeiheet. Het ritueel ontplooit zich zoals altijd: papieren filter nat maken, schepje met koffie erin, nat maken en laten bloemen, een halve minuut wachten. Ik besef niet hoelang ik al op ben. Het voelt als een uur maar we zijn nog maar zes minuten verder. Uiteindelijk giet ik warm water in de koffiefilter en laat het geluid van koffiestraaltjes in de kop mij weten dat het bijna zo ver is.

Ik hou mezelf voor om het deze keer niet te laten overstromen want de handdoeken zijn bijna op. Ik mors vaak. Ik blijf gieten, op het gemak, en laat me leiden door de geur. Eigenlijk heb ik ook honger. Hoeveel kan er nog in? Genoeg. Oké, ik giet er toch nog wat bij, want ik wil ook eten. Ik hou mezelf voor om het in de gaten te houden. Ik pak yoghurt uit de frigo en ga naar de living om fruit te nemen uit de blauwe, Marokkaanse fruitschaal die bulkt van appels. Ik eet geen bananen, bananen hebben een rare smaak en textuur waaraan ik niet wen. Ik doe de gordijnen open, laat de wereld binnen en kijk naar de mensen die al volop in hun ochtendspits zijn beland. Zo ver ben ik nog niet. Ik tuur naar de straten, de witte daken, de mensen die naarstig wachten op een tram die niet afkomt, fietsers die allerhande manoeuvres maken en automobilisten die hen daarin overtreffen. Ik zie licht. Véél licht: autolichten, pinkers, fietslichten, ah een tram met lichten, een vuilkar, fluovesten, straatverlichting, lichten die uit de bakker schijnen, iemand met een hond die een lichtje heeft op de halsband. Ik ben pas opgestaan maar mijn omgeving is al volop in beweging. Ik neem het op in volle naïviteit, mentaal ben ik nog niet wakker. Ik neem het op. Het geeft een zekere gemoedsrust om elke ochtend zo mee te maken en te weten dat een soortgelijk scenario zich morgenochtend weer voordoet. Het doet me denken aan de Truman Show. Hoe het leven krioelt. Zie ze heen en weer bewegen, gehaast en onder tijdsdruk. Ik laat het op me afkomen. Ik vind het super zo.

Ik blijf kijken. De koffie loopt over.

 

 

 

Onder het motto: ‘Tijdens de examens steunen we elkaar” maken we met zijn alleen een knettergek artikel. Een impressie van hoe we de laatste dagen achter ons bureau hebben gespendeerd en wat er door ons hoofd ging toen we daarvan verlost werden.
Het concept is simpel: iedereen schreef een stukje en gaf zo de tekst weer door aan een volgende schrijven. Zie het zoals een literaire cadavre exquis.

 

Featured Image: Figure (Cadavre Exquis) – André Breton, Max Morise, Jeannette Decrocq Tanguy, Pierre Naville, Benjamin Péret, Yves Tanguy, Jacques Prévert (1928)